zuurkraam

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. marktkraam waar in zuur gelegde producten worden verkocht zoals augurken en haringen
    Hij was toen achterom het Choor van de stille Kerk gegaan, waar altijd de groene zuurkraam tegenaan was gebouwd, waar uit de zuurbaas met zijn eéne arm verscheen, achter zijn platte vaatjes met ingemaakte zilveruitjes, karmijnroode schijven biet, harde augurken en rijtjes lange 'saggijonen' en die ook hard-gekookte eieren ter ontnuchtering verkocht aan wie een zuurtje kwamen pikken.