Fun

mannelijk (de)/fʏn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. oorzaak of toestand van vrolijkheid
    En het antwoord op hun benauwde vragen was, dacht ik, eenvoudig. Heinz was fun, en dat kun je van de meeste mannen niet zeggen.
    Striphandelaar Benedikt Taschen ontdekte ‘het gat in de markt’: het met flair en fun uitgegeven plaatjesboek.

Etymologie

*van "fun"

Uitdrukkingen

  • om de fun
  • voor de fun