Kamerzetel

mannelijk (de)/ˈkamərˌzetəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. politiek, figuurlijk (politiek) (figuurlijk) positie als lid van een parlement
    De briefstemmen van ongeveer 65.000 zeventigplussers zijn niet meegeteld voor de Tweede Kamerverkiezingen van vorige maand. (…) Het gaat om 6 procent van het totaal uitgebrachte stemmen per post, goed voor ongeveer één Kamerzetel.
    Indien het verkiezingsresultaat van zondag hetzelfde zou zijn als de peiling van VRT en De Standaard van afgelopen vrijdag, dan zou de N-VA er 16 Kamerzetels bij krijgen.