Komen

/ˈkomə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) bewegen van verder weg naar dichterbij
    Ik voelde me veel minder veilig in de bossen dan in de uitgestrekte, open woestijn. Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge luchten.
    Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.
    Het Burning Man-festival in Nevada is de ultieme expressie hiervan en het komt aardig in de buurt van de echte hippielevensstijl van destijds.
  2. erga, seksualiteit (erga), (seksualiteit) een orgasme hebben, klaarkomen
  3. copl (copl) worden, bedijgen
    Hij kwam afzakken, hij kwam toegesneld
    Hij kwam aangekeft, hij kwam aanmompelen.

Etymologie

*: venire

Uitdrukkingen

  • aan het hart laten komen
  • boven water komenbovenkomen
  • tussenbeide komeninterfereren
  • Aan de bak komen
  • Aan zijn trekken komenkrijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt
  • Als het puntje bij het paaltje komtAls het erop aankomt
  • Als puntje bij paaltje komtAls het eropaankomt
  • Berouw komt na de zondeals het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw

Vertalingen

Engelscome, come
Fransvenir
Duitskommen, kommen, nicht zur Geltung kommen
Spaansvenir
Italiaansvenire
Russischприходить
Chinees
Japans来る
Turksgelmek
Poolsprzychodzić, dochodzić