Viool

mannelijk/vrouwelijk (de)/viˈjol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) viersnarig strijkinstrument
    De viool, altviool, cello en contrabas zijn strijkinstrumenten.
    Mijn viool moet gestemd worden.
  2. techniek, scheepvaart (techniek), (scheepvaart) katrol/blok met twee boven elkaar geplaatste schijven van verschillende grootte, waardoor de vorm wat op het onder [1] genoemde instrument lijkt
  3. spreektaal, anatomie (spreektaal) (anatomie) deel van onderlijf met de uitgang van de darmen
zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor uit het geslacht , laaggroeiend plantjes met vaak driekleurige bloemen

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Eerste viool spelenDe baas zijn of willen spelen|n=1
  • Tweede viool spelenMinder in te brengen hebben dan een ander|n=1
  • voor de kat z'n viool

Vertalingen

Engelsviolin, violet
Fransviolon
DuitsGeige, Violine
Spaansviolín, violeta
Italiaansviolino
Poolsskrzypce