Weel
onzijdig (het)/wel/
Wat is de betekenis van Weel?
Weel betekent: (waterbeheer) water dat in een ronddraaiend omlaag stroomt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) water dat in een ronddraaiend omlaag stroomt
- (waterbeheer) diepe plas die door het kolkend water van een dijkdoorbraak is ontstaan en waar de vervangende dijk in een boog omheen is aangelegd
zelfstandig naamwoord
- touw uit tenen of kabel uit staaldraad gevlochten
- net om insecten of andere dieren te vangen
Voorbeelden van "Weel" in een zin
- Als een dijk doorbrak ontstond door het krachtig binnenstromende Scheldewater een weel of uitkolkingsgat.
- In het mooi geïllustreerde boek over Van den vos Reynaerde, uitgegeven bij het Davidsfonds in 1991 staan op pagina 207 drie foto's van binnenwateren: de Grote Geule bij Kieldrecht, een weel bij het Nederlandse Clinge (nabij fort Bedmar) en een uitloper van de vroegere Grote Geule, het Sint-Jacobsgat nabij de gemeentegrenzen van Meerdonk en De Klinge (in de buurt van de huidige Krekeldijk).
- Om het weel te vervaardigen gebruikt men taaije wilgenteenen van de rijswaarden, welke teenen men, tot eene aanmerkelijke lengte, in elkander draait.
Etymologie
*[B] van Middelnederlands "wele"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek