aangezicht

onzijdig (het)/ˈaŋɣəˌzɪxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorzijde van het hoofd, met daarin de ogen, neus en mond
    Aangezicht, borstkas en armen dienen natuurlijk enigszins op orde te zijn, maar zelfs daar verdraagt de ongedwongenheid van het thuiswerken zich met losbandige vrijetijdskleding en minimale persoonlijke hygiëne.
    {{ouds
  2. figuurlijk (figuurlijk) manier waarop iets zich laat zien
    Ook veel bezoekers vinden het nagenoeg lege warenhuis een triest aangezicht.
    Het verbeteren van wijken begint met het verbeteren van het aangezicht van de wijk en van de huizen.

Etymologie

*van Middelnederlands "aneghesichte", in de betekenis van ‘gezicht’ voor het eerst aangetroffen in de 14e eeuw; op te vatten als

Uitdrukkingen

  • in het aangezicht van
  • Uit iemands aangezicht gesneden zijn.Sterk lijken op iemand.
  • Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezichtwie zijn goede naam verliest komt in moeilijkheden
  • van aangezicht tot aangezichtvis-à-vis in een direct contact met iemand

Vertalingen

Engelsface
Fransvisage
DuitsGesicht, Angesicht
Spaansrostro, faz, cara
Japans