aangorden
/ˈaŋɣɔrdə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets met een riem of band om het middel bindenHij kan maar beter zijn spullen aangorden.
- (ov) in riemen vastzettenDe kinderen moeten goed aangegord worden.
Vertalingen
Engelsgird on, strap in
Fransceindre, ceinturer
Duitsgürten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek