aangrijpen

/ˈaŋɣrɛipə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (met kracht) aanpakken
    De lakse agent werd door de boze vrouw aangegrepen.
  2. aanvallen.
  3. hevig ontroeren
    Het gedicht over haar overleden vader greep haar heel erg aan, zodat ze heel erg moest huilen
    Maar de waarheid was dat het verhaal van Perry Zuidam haar erg had aangegrepen.
    Maar wat moet het opwindend zijn geweest, die dag dat de fotograaf langskwam; wat zal de leraar de kinderen streng hebben gemaand de man met zijn ongebruikelijke apparaat niet te storen - en wat zal de neiging groot zijn geweest om te giechelen of een raar gezicht te trekken, ook al zou je meteen daarna met het rietje hebben gekregen. Maar wat ons nog het meest aangrijpt, is de gehoorzaamheid die je hier ziet.

Vertalingen

Spaansconmover
Italiaanscommuovere
Deensgribe