aanhoren

/ˈanhorə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) horen naar iemand, luisteren
    Mijn dochter kan best zingen maar haar gezang is niet om aan te horen.
    Je moet altijd je tegenstander met aandacht aanhoren, want daar kun je vaak wat nieuws van leren.
    Haar opmerkingen in de trend van ‘Jordie kan beter verliefd zijn op een meisje’ werden door de analisten met verbaasde gezichten aangehoord.
  2. refl (refl) zich ~: moeten nemen om iets te beluisteren
    Hij had zich dat eens aangehoord en besloot ook lid te worden.
  3. rcpq (rcpq) elkaar ~: vaak beleefdheidshalve naar elkaar luisteren
    De aanklager en de verdediger hadden elkaar beleefd aangehoord, maar hun eisen verschilden grotelijks.

Uitdrukkingen

  • ten aanhoren van: zodat het gehoord wordt door

Vertalingen

Engelslisten to, hear
Fransécouter, entendre
Duitsanhören, zuhören
Spaansescuchar