afchecken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. controleren of alle zaken van een lijst kloppen
    De ambities van ouders liggen strakker dan die van ons. Natuurlijk vinden ze het leuk dat hun kind allemaal creatieve dingen doet. Maar als het in groep 7 komt, gaan ze toch alles even afchecken: kan hij wel rekenen? Kan ze goed lezen? En als je vraagt: is het geluk van je kind niet een belangrijk leerdoel? Dan zeggen ze, ja natuurlijk.NRC 29 januari 2000 [https://www.nrc.nl/nieuws/2000/01/29/veel-veroverd-maar-de-erkenning-blijft-uit-7480306-a1218823 Veel veroverd, maar de erkenning blijft uit ]
    Hij heeft de vorige dag zestig kilometer van het wedstrijdparcours verkend. Afchecken noemt hij zijn bezigheden in de laatste week. De puntjes op de i zetten.NRC Jaap Bloembergen 26 april 1996 [https://www.nrc.nl/nieuws/1996/04/26/publiek-wil-nu-eens-geen-italiaanse-winnaar-7308072-a21499 'Publiek wil nu eens geen Italiaanse winnaar']