afhouding

vrouwelijk (de)/'ɑfhɔudɪŋ/

Wat is de betekenis van afhouding?

afhouding betekent: korting, vermindering, inhouding

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. korting, vermindering, inhouding
  2. het niet mogen deelnemen aan het Avondmaal in een protestantse kerk

Voorbeelden van "afhouding" in een zin

  • Afhouding. Afhouden is zeker en algemeen gebruikelijk woord, waarvan zeer regelmatig afhouding: de daad van af te houden, kan afgeleid worden; van dat standpunt zou men dus kunnen zeggen: afhouding is in den zin van retenue (van een jaarwedde) niet per se fout. Doch hier is de quaestie een andere: een quaestie van gebruik. Moet een Noordnederlandsch ambtenaar op zijn jaarwedde een zeker percent verliezen, dan noemt hij dit percent korting en niet afhouding; korting is nu eenmaal het geijkte woord. Het Belfort. Jaargang 10(1895) [https://www.dbnl.org/tekst/_bel002189501_01/_bel002189501_01_0005.php Taalpolitie.]
  • in het eerste geval kan wegens gegeven ergernis de ‘eenvoudige’ afhouding van het Avondmaal, in afwachting van eventueel noodzakelijk blijkende verdere tuchtoefening, spoedig geschieden; in het tweede geval worde zoo lang mogelijk geduld geoefend, waarbij nauwkeurig moet worden toegezien hoe de betrokkene zich overigens in leer en leven gedraagt; Geen duimbreed!(1936)–K. Schilder [https://www.dbnl.org/tekst/schi008geen01_01/schi008geen01_01_0002.php Een synodaal besluit inzake 't lidmaatschap van N.S.B. en C.D.U.]

Etymologie

* van afhouden