aflegger

mannelijk (de)/ˈɑflɛɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerp (met name kleding) dat de oorspronkelijke eigenaar niet meer gebruikt maar nog niet helemaal versleten is en dus nog door iemand anders als tweedehandsje gebruikt kan worden
  2. plantkunde (plantkunde) nieuwe plant die ontstaat waar takken van de moederplant de grond raken
  3. persoon (persoon) iemand die een lijk aflegt
  4. voorzet
    Het mooiste doelpunt van de avond kwam echter op naam van Pedro, die na een aflegger van Willian de 0-3 in de winkelhaak schilderde. De Standaard 12/12/2017 om 22:59 door jtp [http://www.standaard.be/cnt/dmf20171212_03239835 Depoitre klopt Courtois, maar Chelsea wint wel overtuigend van Huddersfield]
    Op het uur kwam Vossen erin voor Diaby en de spits kreeg tot driemaal toe een unieke kans om de wedstrijd te beslissen: eerste trapte hij alleen voor Dutoit onbesuisd over, even later kreeg hij een aflegger niet onder controle en in het slot wilde hij met het hoofd Vormer bedienen hoewel hij beter zelf naar doel had gekopt. De Standaard Club Brugge rianter dan ooit op kop [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180125_03321765 25/01/2018 om 22:40 door vml]
  5. iemand die een examen maakt
    “Wij mogen straks gaan werven onder de beste tien procent van de afleggers van het Chinese staatsexamen. Daar helpt onze partner, de China Agriculture University mee. Dat president Xi Jinping bij de ondertekening van de overeenkomst was helpt publicitair enorm.” NRC Jonas Kooyman 5 november 2015 [https://www.nrc.nl/nieuws/2015/11/05/met-je-universiteit-naar-het-buitenland-goed-voor-prestige-en-geld-a1494585 Met je universiteit naar het buitenland - goed voor prestige én geld]

Etymologie

* van afleggen

Vertalingen

Engelslayer