afsluiting
vrouwelijk (de)/ˈɑfslœytɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets afsluitenDoor de afsluiting kreeg hij geen stroom meer.
- beëindiging, eindeHet Suikerfeest is de afsluiting van de ramadan.Het kwam hem ineens komisch voor dat hij zijn laatste frauduleuze handeling als directeur met eigen middelen had gefinancierd. Een waardige afsluiting. Overmorgen diende hij schriftelijk zijn ontslag in.
- een voorwerp dat ervoor zorgt dat iets afgesloten wordtDe afsluiting op de deur werkte niet goed.
Etymologie
* van afsluiten
Vertalingen
DuitsSperre, Sperrung, Unterbrechung
Spaansbarrera, obstrucción
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek