aftappen

/ˈɑftɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ergens iets van afnemen, gewoonlijk een vloeistof
    Het aftappen van het bloed ging pijnloos.
  2. ov, telecommunicatie (ov), (telecommunicatie) door middel van het plaatsen van afluisterapparatuur informatie verkrijgen uit gesprekken die andere mensen voeren
    Het gesprek werd stiekem afgetapt.