aftappen
/ˈɑftɑpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) ergens iets van afnemen, gewoonlijk een vloeistofHet aftappen van het bloed ging pijnloos.
- (ov), (telecommunicatie) door middel van het plaatsen van afluisterapparatuur informatie verkrijgen uit gesprekken die andere mensen voerenHet gesprek werd stiekem afgetapt.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek