aftrappen

/ˈɑftrɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. sport, intr, voetbal (sport) (intr) (voetbal) de aftrap nemen; de voetbal wedstrijd beginnen
    Toen de scheidsrechter floot en de tegenpartij aftrapte, nam zij zich voor om de bal geen seconde meer uit het oog te verliezen.

Vertalingen

Engelskick down, kick off