afvaardigen

/ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
    De burgemeester had hem afgevaardigd om die vereniging te vertegenwoordigen.

Etymologie

* (verouderd werkwoord)

Vertalingen

Engelsdelegate, depute
Fransdéléguer
Duitsdelegieren, abordnen
Spaanscomisionar, diputar, delegar