audiëntie

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. officieel bezoek van een lager geplaatst persoon bij een zeer hoog geplaatst persoon
    Hij ging op audiëntie bij de koning.
    In 1996 zouden de twee elkaar ontmoeten in Washington. Twee jaar eerder, in 1994, hadden radicale Hutu’s geprobeerd alle Tutsi’s uit te roeien. Kagame had de genocide met zijn Tutsi-leger beëindigd. Ontdaan van zijn mythologische koninklijke macht en levend als een sloeber, mocht Kigeli op audiëntie komen bij president Kagame in diens hotelkamer. NRC Koert Lindijer 21 oktober 2016
  2. juridisch (juridisch) een ceremoniële hoorzitting, voor burgers door een persoon met een zekere bevoegdheid

Etymologie

*ontleend aan Latijn audientia ‘het aanhoren’

Vertalingen

Engelsaudience
Spaansaudiencia