baarmoederhals

mannelijk (de)/ˈbarmudərˌhɑls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt en aan de andere kant overgaat in het baarmoederlichaam
    Het uitstrijkje van de baarmoederhals.

Etymologie

*Samensteling van baarmoeder en hals.

Vertalingen

Engelscervix
Franscol de l'utérus
DuitsGebärmutterhals
Spaanscuello uterino, cuello del útero
Zweedslivmoderhals