baas

mannelijk (de)/bas/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) iemand die leiding geeft aan anderen
    Onze chef voelt zich een heel baasje.
  2. eigenaar van een dier
    Hondenpoep dient door het baasje opgeruimd te worden.
  3. iets of iemand die de macht heeft om zijn wil af te dwingen
    In Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.
  4. iemand die alles onder controle heeft
    Mentaal sterke mensen:Vermijden zelfmedelijden;Zijn de baas over hun eigen emoties;Lopen niet weg voor veranderingen;

Etymologie

* In de betekenis van ‘meerdere, hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1280

Vertalingen

Engelsboss
Franschef, patron, patronne
DuitsChef, Boss
Spaanspatrón, amo, jefe
Italiaanscapo
Poolsszef
Zweedsanförare, chef
Deenschef