bestuurder
mannelijk (de)/bəˈstyrdər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) persoon die een voertuig bestuurtDe bestuurder verloor de macht over het stuur en raakte van de weg.Een vrachtwagenchauffeur heeft zijn dak eraf gereden bij de Stationstunnel in Den Bosch. De wagen was te hoog om door de tunnel te rijden, maar daar kwam de bestuurder te laat achter. Het zou om een jonge chauffeur gaan die pas net zijn vrachtwagenrijbewijs heeft, maar het bedrijf uit Elshout waar de vrachtwagen van is wil niet verder op details ingaan. Omroep Brabant Maaike Cnossen 28-8-2019 [https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/3059012/Jonge-chauffeur-bestuurde-vrachtwagen-die-dak-verloor-in-Stationstunnel-in-Den-Bosch-VIDEO Jonge chauffeur bestuurde vrachtwagen die dak verloor in Stationstunnel in Den Bosch], hij is gewond, de bestuurder is doorgereden, we zijn op weg naar het H- ziekenhuis.
- (beroep) (techniek) persoon die een machine bedient
- (beroep), (bedrijfskunde) een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeftDe bestuurder wist niet meer wat hij met de situatie aanmoest en besloot daarom maar om zijn salaris te verhogen.
Etymologie
*Van de stam van besturen .
Vertalingen
Engelsdriver, conductor, chauffeur
Fransconducteur, chauffeur
DuitsFahrer, Leiter, Direktor
Spaansautomovilista, conductor, chófer
Portugeesmotorista
Russischводитель
Poolskierowca, szofer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek