ballen

/ˈbɑlə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk, vulgair (figuurlijk) (vulgair) lef, branie, moed
werkwoord
  1. ov (ov) tot een bal tezamen doen
    Hij balde zijn vuist van woede.
  2. inerg (inerg) (vrij ongericht) met een bal spelen
    Dan balden we nog wat verder naar één goaltje.

Uitdrukkingen

  • de vuist ballenalle vingers van de hand buigen zodat de hand een bol vorm krijgt

Vertalingen

Engelsballs
Franscouilles
DuitsEier
Spaanshuevos, cojones
Italiaanspalle
Portugeescolhões