ballen
/ˈbɑlə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) (vulgair) lef, branie, moed
werkwoord
- (ov) tot een bal tezamen doenHij balde zijn vuist van woede.
- (inerg) (vrij ongericht) met een bal spelenDan balden we nog wat verder naar één goaltje.
Uitdrukkingen
- de vuist ballen — alle vingers van de hand buigen zodat de hand een bol vorm krijgt
Vertalingen
Engelsballs
Franscouilles
DuitsEier
Spaanshuevos, cojones
Italiaanspalle
Portugeescolhões
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek