bamboestengel
mannelijk (de)/'bɑmbustɛŋəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) de dikke gesegmenteerde stam van een bamboeplantDe vrouw droeg een schoudertas en het was alsof ze thuishoorde in deze tuin, waar alleen de in de verdorde aarde gestoken bamboestengels herinnerden aan de tomaten, aubergines en sla die hier ooit, toen er nog iemand was om ervoor te zorgen, welig moesten hebben getierd.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek