beet
mannelijk (de)/bet/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- samenklemming tussen de kakenDe beet van een dolle hond is een ernstige zaak.'We waren gewaarschuwd dat we daar niet bij in de buurt moesten komen, omdat hun beet giftig is, maar deze was machtig mooi.
- dat wat je met één keer bijten kunt eten, hapIk neem een beet van de koek.
- steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insectDe huilende baby zat onder de beten, want er was een mug in de kamer.
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) (verouderd) benaming voor planten uit het geslacht
zelfstandig naamwoord
- tweede letter van het Hebreeuwse alfabet
- getal twee
zelfstandig naamwoord
- huis (als deel van woordcombinaties)
Etymologie
*[D] van (beit) "huis"
Vertalingen
Engelsbet, bet
Fransmorsure
Spaansmordisco, picadura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek