bespelen

/bəˈspelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) muziek maken op een muziekinstrument
    Mijn oma bespeelt een piano.
  2. ov (ov) iemand tot iets aanzetten, invloed hebben op
    De nieuwe medewerker liet zich makkelijk bespelen.
    De politicus wist zijn publiek meesterlijk te bespelen.

Etymologie

*Afgeleid van spelen .

Vertalingen

Engelsplay
Spaanstocar, tañer
Poolsgrać