bezoek

onzijdig (het)/bəˈzuk/

Wat is de betekenis van bezoek?

bezoek betekent: het bezoeken, de visite

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bezoeken, de visite
  2. de personen die op visite zijn of komen, de verzamelde bezoekers

Voorbeelden van "bezoek" in een zin

  • Zij gingen even een bezoek afleggen.
  • Het bezoek aan het museum was zeer de moeite waard.
  • Dat dit een eenmalig bezoek betrof, stond bij haar vast.
  • Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag.
  • De museumdirecteur was heel blij met het vele bezoek dat de tentoonstelling mocht ontvangen.

Betekenis en uitleg van bezoek

Het woord 'bezoek' verwijst naar het gaan naar een bepaalde plek om daar iemand te ontmoeten of tijd door te brengen. Het kan betrekking hebben op sociale interacties, zoals het bezoeken van vrienden of familie, maar ook op formele situaties zoals zakelijke afspraken.

Je gebruikt 'bezoek' vaak als je het hebt over het afleggen van een reis naar iemand toe, bijvoorbeeld om gezellig samen te zijn of om iets te bespreken. Het woord kan zowel positieve als neutrale connotaties hebben, afhankelijk van de context. In sommige gevallen kan 'bezoek' ook verwijzen naar een tijdelijke verblijfsperiode, zoals een bezoek aan een museum of een tentoonstelling.

Voorbeelden

  • Ik ga vanavond op bezoek bij mijn grootouders voor een gezellige maaltijd.
  • Tijdens mijn vakantie in Parijs heb ik het Louvre bezocht om de beroemde kunstwerken te bewonderen.
  • De dokter komt morgen op bezoek om mijn herstel na de operatie te controleren.

Woordoorsprong

Het woord 'bezoek' is afgeleid van het Middelnederlandse 'besoech', wat 'bezoeken' of 'komen aan' betekent. Het is verwant aan andere woorden die te maken hebben met komen en gaan.

Veelgestelde vragen over bezoek

Wat is de betekenis van bezoek?

bezoek betekent: het bezoeken, de visite

Hoeveel betekenissen heeft bezoek?

bezoek heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft bezoek?

bezoek is een onzijdig (het).

Hoe gebruik je bezoek in een zin?

Voorbeeld: “Zij gingen even een bezoek afleggen.

Vertalingen

Engelsvisit, visitor, visitors
Fransvisite, visite
DuitsBesuch, Besuch
Spaansvisita, visitas