bezoek

onzijdig (het)/bəˈzuk/

Wat is de betekenis van bezoek?

bezoek betekent: het bezoeken, de visite

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bezoeken, de visite
  2. de personen die op visite zijn of komen, de verzamelde bezoekers

Voorbeelden van "bezoek" in een zin

  • Zij gingen even een bezoek afleggen.
  • Het bezoek aan het museum was zeer de moeite waard.
  • Dat dit een eenmalig bezoek betrof, stond bij haar vast.
  • Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag.
  • De museumdirecteur was heel blij met het vele bezoek dat de tentoonstelling mocht ontvangen.

Vertalingen

Engelsvisit, visitor, visitors
Fransvisite, visite
DuitsBesuch, Besuch
Spaansvisita, visitas