bezoek
onzijdig (het)/bəˈzuk/
Wat is de betekenis van bezoek?
bezoek betekent: het bezoeken, de visite
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het bezoeken, de visite
- de personen die op visite zijn of komen, de verzamelde bezoekers
Voorbeelden van "bezoek" in een zin
- Zij gingen even een bezoek afleggen.
- Het bezoek aan het museum was zeer de moeite waard.
- Dat dit een eenmalig bezoek betrof, stond bij haar vast.
- Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag.
- De museumdirecteur was heel blij met het vele bezoek dat de tentoonstelling mocht ontvangen.
Vertalingen
Engelsvisit, visitor, visitors
Fransvisite, visite
DuitsBesuch, Besuch
Spaansvisita, visitas
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek