bijslaap
mannelijk (de)/'bɛɪslap/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand waarmee je het bed deelt
- geslachtsgemeenschapVan Joop Zoetemelk is de wijsheid dat de beste slaper de volgende dag de beste renner is. Wie er op de fiets iets van wil bakken, benut een hotelkamer voor de slaap, niet voor de bijslaap.Volkskrant Olaf Tempelman 15 april 2017Soms, hè. Soms ben je als mens eeh... lascief zullen we maar zeggen. Lubriek, weet je wel. Ik bedoel vrijlustig, als het ware. Heet, hitsig, wulps, onkuis. Begerig, ontuchtig, warmbloedig, zinnelijk, wellustig. Dat je zin hebt om, nou ja, te bedvogelen, bibberen, bijslapen, bonken, bonzen, cohabiteren, coïteren, dreutelen, emmeren, figuurzagen, flenzen, fleppen, flikflooien, fokken. Ketsen, kezen, kieren, kroelen, minnen, naaien, nemen, pakken, palen, poepen, pompen, rammen, ramptampen, rollebollen, soppen, tortelen, vogelen, vozen.Volkskrant Bergsma 19 januari 2017
Etymologie
* In de betekenis van ‘geslachtsgemeenschap’ voor het eerst aangetroffen in 1656
Vertalingen
Engelsconcubitus, coition, sexual union
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek