bluffer
mannelijk (de)/'blʏfər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die andere misleidt door grootspraak“Ik wist dat Oswald op zondag, twee dagen na de moord, van zijn politiecel naar de gevangenis zou worden gebracht. Mijn vrouw zei: ga daar nou naartoe. Ik stond in een grote groep journalisten toen Oswald, geëscorteerd door twee agenten, naar buiten liep. Opeens liep een man met een hoed op naar voren en ik hoorde het geluid van twee dagen eerder weer: ‘Pop!’ Jack Ruby, de pocher, de bluffer, had Oswald vermoord.”NRC 22 november 2013
Etymologie
* van bluffen
Vertalingen
Engelsboaster
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek