bobbel
mannelijk (de)/ˈbɔbəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ronde verdikking of verheffing in een anderszins vlak oppervlakDat bobbeltje is een onschuldige vetophoping.De derde tree van boven die kraakte, een bobbel in het tapijt van de overloop die een vreemd geluid maakte als je er met je volle gewicht op ging staan, het middenstuk van de trapleuning dat piepte als je het te veel belastte.
- gasbel die zich uit een vloeistof aan het oppervlak vertoontWanneer je bobbels ziet, begint het water te koken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘knobbel, luchtbel’ voor het eerst aangetroffen in 1490
Vertalingen
Spaansborbotón, corcova, giba
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek