brandtrap

mannelijk (de)/'brɑntrɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een trap die gebruikt kan worden in geval van nood als de gewone trappen en liften niet meer bruikbaar zijn
    Je moet de brandtrap altijd vrijhouden.
    Via de nooduitgang kom je bij de brandtrap.
    Af en toe wierp hij een blik op Haralds slaapkamerraam, waarachter het licht de hele tijd brandde. Vanaf daar liepen de brandtrappen zigzaggend naar beneden.