brutering
vrouwelijk (de)/bryˈterɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het omzetten van nettobedragen naar brutobedragenDat werkgevers de 17 cent op zullen hogen tot de huidige 28, gelooft hij niet, want door brutering kan elke kilometer de baas dan 45 cent gaan kosten.
- financieel zelfstandig worden van woningbouwverenigingen waarbij schulden en leningen aan de overheid werden vereffendWonen is voor de gewone man in de grote steden, waar toch het meeste werk is, niet meer betaalbaar. Sinds de brutering in 1994 is de opdracht voor de volkshuisvesting namelijk deze: Vernietig de volkswoningbouw, breng alles in speculatieve handen en houdt de armen en weinig verdienenden buiten de stad.Er is geen verband tussen deze zogenoemde brutering en 'de diefstal en gekkigheid' van de laatste jaren. Het had allemaal wel 'beter gekund en gemoeten, maar die dingen zijn niet mijn schuld of van de Kamer'.
Etymologie
* afleiding van bruteren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek