cabine
vrouwelijk (de)/ka'binə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (transport) bestuurdershokje van een vracht- of bestelautoDe trucker had van zijn cabine een heel persoonlijke woonkamer gemaakt.
- (luchtvaart) ruimte voor passagiers in een vliegtuigDe stewardessen werken in de cabine terwijl de piloten werken in de cockpit.
- (ruimtevaart) ruimte voor astronautenSinds de bemanning in de ruimte is zijn er duizenden zonsopgangen geweest, waarvan ze er honderden hebben gezien, en als ze nu wakker waren zouden ze uit hun cabine komen zweven en weer kijken.
- (filmkunst), (techniek) de ruimte waarin zich de filmprojector van een bioscoop bevindt
- kleedhokjeWe kleedden ons om in de cabine voordat we gingen zwemmen.
- hokje waarin een tolk werkzaam is
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hokje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1895
Vertalingen
Spaanscabina, camarote
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek