cockpit
mannelijk (de)/'kɔkpɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ruimte voor de bestuurder in vliegtuig, boot of raceautoHet gebeurt niet vaak, maar komt soms toch voor: een vliegtuig verdwijnt spoorloos van de radar. Contact met de cockpit leggen lukt niet meer. Al gauw wordt voor het ergste gevreesd. Wanneer er een flink aantal uren zonder radiocontact verstrijkt is het duidelijk: het vliegtuig is neergestort. Casper van der Veen 18 juni 2016 NRC
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stuurhut in vliegtuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1926
Vertalingen
Spaanscabina, camarote, carlinga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek