hut
mannelijk/vrouwelijk (de)/hʏt/
Wat is de betekenis van hut?
hut betekent: (bouwkunde) primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
- schuilgelegenheid in de bergen
- eenvoudige behuizing als vacantieverblijf op een kampeerterrein of in recreatiegebied
- (scheepvaart) ruimte aan boord van een schip voor werkzaamheden van de bemanning, of als accommodatie voor passagiers
Voorbeelden van "hut" in een zin
- Gelukkig staan de meeste hutjes nu in een openluchtmuseum.
- Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend.
- Op de hoogste top van Californië. Geen enkele beschutting, behalve een hutje met een metalen dak.
- De vorige bewoners hadden de hut netjes achtergelaten.
- Op het terrein staan ook enkele trekkershutten.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "hutte" van "hütte", in de betekenis van ‘houten woning’ aangetroffen vanaf 1475
Vertalingen
Franscabane, hute, cahute
Spaanschoza, camarote
Italiaanscapanna
Russischхижина
Turkskulübe
Poolschata, szałas
Zweedsstuga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek