hut

mannelijk/vrouwelijk (de)/hʏt/

Wat is de betekenis van hut?

hut betekent: (bouwkunde) primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een behuizing voor uitsluitend dieren, wordt nooit een 'hut' genoemd)
  2. schuilgelegenheid in de bergen
  3. eenvoudige behuizing als vacantieverblijf op een kampeerterrein of in recreatiegebied
  4. scheepvaart (scheepvaart) ruimte aan boord van een schip voor werkzaamheden van de bemanning, of als accommodatie voor passagiers

Voorbeelden van "hut" in een zin

  • Gelukkig staan de meeste hutjes nu in een openluchtmuseum.
  • Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend.
  • Op de hoogste top van Californië. Geen enkele beschutting, behalve een hutje met een metalen dak.
  • De vorige bewoners hadden de hut netjes achtergelaten.
  • Op het terrein staan ook enkele trekkershutten.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "hutte" van "hütte", in de betekenis van ‘houten woning’ aangetroffen vanaf 1475

Vertalingen

Franscabane, hute, cahute
Spaanschoza, camarote
Italiaanscapanna
Russischхижина
Turkskulübe
Poolschata, szałas
Zweedsstuga