kot

onzijdig (het)/kɔt/

Wat is de betekenis van kot?

kot betekent: klein, armoedig huis

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein, armoedig huis
  2. verblijf voor huis- en staldieren
  3. woning horende bij koterstede (keuterij)
  4. kleine, afgesloten ruimte, hok
  5. informeel, eufemisme (informeel) (eufemisme) gevangenis
  6. deel van een molen, molenkot
  7. gehuurde studentenkamer
  8. informeel (informeel) huis, woning
  9. informeel, eufemisme (informeel) (eufemisme) bordeel

Voorbeelden van "kot" in een zin

  • {{ouds
  • {{ouds
  • toen hij ging studeren, ging hij op kot
  • Maggie De Block, opgeleid tot huisarts, laat tijdens een parlementaire vergadering over het coronavirus COVID-19 haar medische jargon zitten waar het zit en spreekt de taal die iedereen verstaat: “Als u ziek bent, denk niet: ik ga toch mijn moeder of mijn oma bezoeken. Blijf in uw kot.”

Etymologie

**[9]: In de betekenis van 'bordeel', voor het eerst aangetroffen (als hoerenkot) in 1494.