kot
onzijdig (het)/kɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klein, armoedig huis
- verblijf voor huis- en staldieren{{ouds
- woning horende bij koterstede (keuterij)
- kleine, afgesloten ruimte, hok
- (informeel) (eufemisme) gevangenis
- deel van een molen, molenkot{{ouds
- gehuurde studentenkamertoen hij ging studeren, ging hij op kot
- (informeel) huis, woningMaggie De Block, opgeleid tot huisarts, laat tijdens een parlementaire vergadering over het coronavirus COVID-19 haar medische jargon zitten waar het zit en spreekt de taal die iedereen verstaat: “Als u ziek bent, denk niet: ik ga toch mijn moeder of mijn oma bezoeken. Blijf in uw kot.”
- (informeel) (eufemisme) bordeel
Etymologie
**[9]: In de betekenis van 'bordeel', voor het eerst aangetroffen (als hoerenkot) in 1494.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek