concertpianist
mannelijk (de)/kɔnˈsɛrtpijaˌnɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (muziek) iemand die muziekuitvoeringen verzorgt door een vleugel te bespelenAanvankelijk wilde ik naar het conservatorium om zelf ook leraar te worden. Maar naar aanleiding van een radio-uitzending ging er een impresariaat voor me aan de slag, en toen ging mijn carrière als concertpianist rollen. Mijn debuutrecital in Den Haag trok zeven recensenten, stel je voor.Wie concertpianist wil worden moet ook vijfduizend uur toonladders oefenen.Wie wordt er nog wijs uit de grenzeloze toestroom van pianotalent? Wereldwijd zijn er naar schatting 50.000 concertpianisten. En allen willen hetzelfde: carrière maken met het spelen van klassieke en romantische meesterwerken.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek