deeltijdboer

mannelijk (de)/ˈdeltɛidˌbur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) eigenaar van een landbouwbedrijf die een belangrijk deel van zijn inkomen met activiteiten daarbuiten verdient
    Pal naast het proefbedrijf runt melkveehouder J. Lenderink een bedrijf met 45 melkkoeien. De andere buurman is B. Rondeel, deeltijdboer met twintig koeien.