Deel

mannelijk/vrouwelijk (de)/del/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)
    Een deel van een pak suiker.
    Ze hebben toen het grootste deel weggehaald, maar hij is weer gegroeid.
    Zouden de fysieke verschillen tussen wijlen mijn echtgenoot en mijn nieuwe vriend een logisch gevolg zijn van het verschil in hun levensstijl? Arend zat een groot deel van de dag in zijn werkkamer - met sigaar - waar hij klanten, architecten en onderaannemers ontving, terwijl Giorgos het grootste deel van zijn leven op een steiger stond.
  2. een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm
    metselspecie is een mengsel van één deel bindmiddel, drie delen fijn zand en één deel water.
  3. een stuk van het geheel
    Ik heb een deel van het afval in de groene bak gedaan een ander deel in de zwarte bak.
  4. een werk / boek / aflevering van een serie (bij een boekenserie, filmserie tv-serie)
    Ik heb alle delen van 'in de ban van de ring' gelezen
zelfstandig naamwoord
  1. een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
    De familie zat op de deel.
  2. vloerdeel, planken vloer

Etymologie

:Oost: : dail

Uitdrukkingen

  • naamwoordelijk deel van het gezegde
  • het overgrote deel
  • De brutalen hebben ( of een brutaal mens heeft) het derde deel van de ( of de halve) wereld
  • Ergens part noch deel aan hebbenergens niets van weten of niet aan deelgenomen hebben

Vertalingen

Engelspart, part
DuitsTeil, Teil, Deele
Spaansparte
Poolsczęść, część