stuk
onzijdig (het)/stʏk/
Wat is de betekenis van stuk?
stuk betekent: deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
- (kunst) een afgerond product van nijverheid of kunst
- (handel) één als teleenheid
- een niet nader bepaalde hoeveelheid of maat
- (letterkunde), (juridisch) officieel document, oorkonde
- (letterkunde) opstel, artikel
- (informeel) een aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
- (kaartspel) de combinatie troef koning en troef vrouw bij klaverjassen
Voorbeelden van "stuk" in een zin
- De prachtige vaas viel in vele stukken op de vloer.
- Van wie is dat stuk speelgoed?
- Zodra ook dat stuk geschut is opgesteld, is de batterij compleet.
- Dit stuk is als blijspel niet erg geslaagd.
- We moeten dat andere stuk ook nog repeteren.
Etymologie
* In de betekenis van ‘brok’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- lik op stuk
- Een stuk in zijn kraag hebben — Dronken zijn
- Men moet een paard de rug niet stuk rijden. — Men moet niet te veel eisen van een ander
- Op geen stukken na (halen) — Met grote achterstand iets niet halen
- Op zijn stuk [blijven] staan — Zich niet laten ompraten en bij de eigen mening blijven
- Van zijn stuk raken — Onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen
- Voet bij stuk houden — Niet toegeven, bij de eigen ideeën of standpunten blijven
- In stukken — 1. tot of bij gedeelten, in parten2. kapot
Vertalingen
Engelspiece, play, hunk
Franspièce, morceau, pièce
DuitsKracher
Spaanspieza, trozo, pedazo
Portugeesgato, gatinha
Turksadet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek