stuk

onzijdig (het)/stʏk/

Wat is de betekenis van stuk?

stuk betekent: deel, gedeelte, onderdeel van een geheel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
  2. kunst (kunst) een afgerond product van nijverheid of kunst
  3. handel (handel) één als teleenheid
  4. een niet nader bepaalde hoeveelheid of maat
  5. letterkunde, juridisch (letterkunde), (juridisch) officieel document, oorkonde
  6. letterkunde (letterkunde) opstel, artikel
  7. informeel (informeel) een aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
  8. kaartspel (kaartspel) de combinatie troef koning en troef vrouw bij klaverjassen

Voorbeelden van "stuk" in een zin

  • De prachtige vaas viel in vele stukken op de vloer.
  • Van wie is dat stuk speelgoed?
  • Zodra ook dat stuk geschut is opgesteld, is de batterij compleet.
  • Dit stuk is als blijspel niet erg geslaagd.
  • We moeten dat andere stuk ook nog repeteren.

Etymologie

* In de betekenis van ‘brok’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • lik op stuk
  • Een stuk in zijn kraag hebbenDronken zijn
  • Men moet een paard de rug niet stuk rijden.Men moet niet te veel eisen van een ander
  • Op geen stukken na (halen)Met grote achterstand iets niet halen
  • Op zijn stuk [blijven] staanZich niet laten ompraten en bij de eigen mening blijven
  • Van zijn stuk rakenOnzeker worden en niet meer weten wat te zeggen
  • Voet bij stuk houdenNiet toegeven, bij de eigen ideeën of standpunten blijven
  • In stukken1. tot of bij gedeelten, in parten2. kapot

Vertalingen

Engelspiece, play, hunk
Franspièce, morceau, pièce
DuitsKracher
Spaanspieza, trozo, pedazo
Portugeesgato, gatinha
Turksadet