deemoedigheid

vrouwelijk (de)/de'mudəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bescheiden, nederig de eigen beperkingen erken
    Zoals bij Klaas Neutel, fractievoorzitter van het CDA in Meppel. "Mijn achterban vindt dat men in Den Haag stom bezig is. De vertegenwoordigers van mijn partij en nog veel meer de PvdA. Wouter Bos heeft bewezen een slecht staatsman te zijn. Maar Balkenende kan na een cursus deemoedigheid gewoon lijsttrekker worden."
  2. teken dat men de eigen beperkingen erkent

Etymologie

* afleiding van deemoedig