deemstering
vrouwelijk (de)/ˈdemstərɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) fase tussen dag en nacht, waarin het niet volledig licht of donker isDoor de deemstering kon hij enkel de vage contouren van zijn vrienden onderscheiden.De schemering – ‘deemstering’, ‘valavond’, zegt hij zelf – is het andere onderwerp van zijn dagboek: het licht dat sterft, langzaam of snel, dat de kleur uit het land en de zee trekt, en zijn pogingen dat laatste licht te vangen.
- (meteorologie) gedeelte van de dag waarop het licht dan wel donker wordtDe deemstering komt vroeg in de winter.{{ouds
Etymologie
*van Middelnederlands "deemsteringhe", op te vatten als afgeleid van "deemsteren"
Vertalingen
Engelstwilight
Franscrépuscule, aube
DuitsDämmerung
Spaanscrepúsculo
Zweedsskymning
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek