deemstering

vrouwelijk (de)/ˈdemstərɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) fase tussen dag en nacht, waarin het niet volledig licht of donker is
    Door de deemstering kon hij enkel de vage contouren van zijn vrienden onderscheiden.
    De schemering – ‘deemstering’, ‘valavond’, zegt hij zelf – is het andere onderwerp van zijn dagboek: het licht dat sterft, langzaam of snel, dat de kleur uit het land en de zee trekt, en zijn pogingen dat laatste licht te vangen.
  2. meteorologie (meteorologie) gedeelte van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
    De deemstering komt vroeg in de winter.
    {{ouds

Etymologie

*van Middelnederlands "deemsteringhe", op te vatten als afgeleid van "deemsteren"

Vertalingen

Engelstwilight
Franscrépuscule, aube
DuitsDämmerung
Spaanscrepúsculo
Zweedsskymning