deutel
mannelijk (de)/ˈdøtəl/
Wat is de betekenis van deutel?
deutel betekent: platte stop waarmee het bomgat midden op op de bolle kant van een vat wordt afgesloten
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- platte stop waarmee het bomgat midden op op de bolle kant van een vat wordt afgesloten
- (scheepvaart) spits, vierkant pennetje van eikenhout dat in een houten pen wordt geslagen, zodat die vast komt te zitten
- (scheepvaart) houten nagel
Voorbeelden van "deutel" in een zin
- {{ouds|1805
- Weet je wat een "deutel" is vroeg zij een timmerman.
- Een deutel was een spits toelopende houten pen, achtkant en ongeveer vijftien centimeter lang. Ze werden door het hout van de romp in de kromhouten gedreven en in de kop van de deutel joeg men nog weer een houten pen om de kop stevig in het kromhout te persen.
Etymologie
*afgeleid van "deut"
Vertalingen
Engelstreenail-wedge
Fransépite
DuitsDeutel, Nagelkeil
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek