droesem
mannelijk (de)/ˈdrusəm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (oenologie) drab die in wijn achterblijft na de fermentatieDe wijn rijpt op de fijne droesem (5 tot 10 maanden) en wordt gebotteld eind mei.Stijnman staat uitgebreid stil bij het zwarte pigment dat tussen 1600 en 1900 het populairst was bij diepdrukkers: Frankfurt zwart. Het kwam uit de West-Duitse wijnstreek rond de rivier de Main ten oosten van Frankfurt, waar de droesem, het bezinksel na de productie van witte wijn, verkoold en vermalen werd tot een zwart poeder.
Etymologie
*van Middelnederlands "droesene", in de betekenis van ‘bezinksel’ aangetroffen vanaf 1287
Vertalingen
Engelslees
Franslie
DuitsGeläger
Spaansposos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek