drol

mannelijk (de)/drɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uitwerpsel, ontlasting
    Als ik na een uur klaar ben, rond acht uur ’s ochtends, dan begint mijn dag. Lekker naar buiten met mijn twee honden. Af en toe daar ook nog even bukken om een drol op te rapen.
    „’r moet ’n riool zijn.... ’t Stinkt .... ’t Stinkt.... ’k Wor ’r misselijk van”.... „Da’s de emmer, oome”, zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. Maar de lucifer was uitgebrand. Hij streek nog een af, keerde zich om, zag den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel vocht, waarin bruine drollen opdreven.
  2. verouderd, textielindustrie (verouderd) (textielindustrie) grof linnen, gesponnen uit restanten vlas
  3. verouderd (verouderd) iemand die veel grappen maakt of heel opgewekt is
    Hy heeft dese uytnemende ende noot-volpresen Const gheleert by eenen Peeter Cock van Aelst, wiens Dochter hy naermaels trouwde, hy hadde veel gheleert uyt de handelinghe van Jeroon vanden Bosch en maeckten oock seer drollighe en viese spoockerijen, waerom hy van veel wert gheheeten Peeter den Drol.
  4. verouderd (verouderd) fors, lelijk en vaak onvriendelijk wezen, oorspronkelijk afkomstig uit de Scandinavische mythologie
    Verlaten wij thans onze gewesten, om een uitstapje naar het Noorden te wagen, dan ontdekken wij weldra verscheidene sagen, waarin de duivel, onder behoud van alle of nagenoeg alle andere hoofdtrekken des verhaals, de plaats heeft geruimd voor eenen of meer reuzen, drollen of trollen.

Etymologie

*[4] van Middelnederlands "drolle" "mythisch wezen met magische eigenschappen dat soms kwade bedoelingen heeft", cognaat met "troll" "trol", de betekenis kan ook samenhangen met [1] in de zin van "gedrongen rond voorwerp of persoon", in de betekenis "kabouter, kobold" voor het eerst aangetroffen in 1588

Vertalingen

Engelsturd
DuitsHaufen, Kot, Scheiße