economie
vrouwelijk (de)/ˌekonoˈmi/
Wat is de betekenis van economie?
economie betekent: (wetenschap) de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wetenschap) de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
- (economie), de economische praktijk ofwel het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
- (economie), het economisch systeem ofwel de wijze waarop de economische praktijk is ingericht
- Zuinigheid
Voorbeelden van "economie" in een zin
- Ik had een onvoldoende voor economie, maar mocht toch naar de volgende klas.
- De economie loopt in dat land al jaren slecht.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zuinigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1793
Vertalingen
Engelseconomics, economy
Franssciences économiques, économie
DuitsWirtschaftswissenschaft, Wirtschaft, Ökonomie
Spaanseconomía
Italiaanseconomia, economia
Portugeeseconômico, economia
Russischэкономика
Chinees經濟, 经济
Japans経済, けいざい
Koreaans경제
Arabischإقتصاد
Turksekonomi
Poolsekonomia
Zweedsekonomi
Deensøkonomi
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek