eenparigheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het eenparig zijn (bijv. van een beweging)
  2. met algemene instemming
    ‘Ik geef toe: de consensus behouden was een obsessie voor mij. Waarom? Eenparigheid is een huizenhoog signaal voor de slachtoffers, de hele samenleving én de regering. Dat maakt dat sommige zaken minder scherp verwoord zijn dan had gekund. Twee: ik wilde ook echt naar de waarheid graven. A charge en à decharge. Die waarheid is vaak genuanceerd, en ook de nuancering heeft haar rechten.’de Standaard 27 OKTOBER 2017
    Er waren meer Oost-Europese landen die grote moeite hadden met dit spreidingsbesluit, maar alleen Hongarije en Slowakije stapten naar de rechter. Die zegt dat het besluit volgens de regels genomen is - niet éénparig, maar wel met een gekwalificeerde meerderheid - en het dus nu gewoon moet worden uitgevoerd.Tubantia Frans Boogaard 06-SEPTEMBER-2017
    Besluiten in de buitenlaag worden genomen met eenparigheid van stemmen zodat nationale parlementen altijd het laatste woord hebben.Volkskrant MICHIEL VAN HULTEN 24 november 2011

Etymologie

*afgeleid van eenparig

Vertalingen

Engelsuniformity, constancy
Spaansunanimidad