enkelband

mannelijk (de)/ˈɛŋkəlˌbɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) een gewrichtsband van de enkel
  2. een band die om de enkel wordt gedragen
  3. een band om de enkel met een zendertje dat gedragen wordt als straf en men niet de locatie mag verlaten
    De enkelband is een goedkope maar effectieve vrijheidsstraf.
    In Nederland dragen 1600 criminelen een enkelband. Zeker 35 criminelen knipten vorig jaar hun enkelband door. Onder die criminelen zitten drie moordenaars, elf overvallers, een verkrachter en drie drugscriminelen. [http://nos.nl/artikel/2172525-zeker-35-criminelen-knipten-vorig-jaar-enkelband-door.html www.nu.nl]

Vertalingen

Engelsankle ligament, anklet, ankle monitor