ezel
mannelijk (de)/ˈezəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onevenhoevigen) bepaald paardachtig zoogdier, , met lange oren dat zeer eigenwijs isDe ezel was continu aan het balken.Ik ben eigenlijk loodgieter en heb al mijn gereedschap en mijn bestelbus verkocht, waarvan ik deze twee paarden heb gekocht voor 2500 dollar per stuk. Maar ik begrijp nu waarom de vorige eigenaar van ze af wilde, ze luisteren totaal niet, superkoppig, net ezels.
- (scheldwoord) domkop, sukkelJe bent een ezel omdat je de sleutel bent verloren.
- (gereedschap) (schilderkunst) steunmeubel, schildersezelDe schilder had het doek op zijn ezel gezet.
- (techniek) voorste hanger van een windmolen waaraan de vangbalk vooraan met een scharnierpunt vastzit
Etymologie
* via Middelnederlands "esel" ontleend van Latijn "asinus", in de betekenis van ‘paardachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- De jongste ezel moet het pak dragen — de jongste moet de vervelende klusjes opknappen
- Een ezel stoot zich in het algemeen geen tweemaal aan dezelfde steen — wanneer iemand een fout heeft gemaakt past diegene er meestal voor op diezelfde fout nog eens te maken
- Een schop van een ezel kunnen verdragen — je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft
- Van de bok op de ezel gaan — snel van onderwerp wisselen zonder rode draad
- Van de os op de ezel springen — steeds van onderwerp veranderen
- Zolang de ezel zakken draagt, heeft de mulder hem lief
- [3] : easel
Vertalingen
Engelsdonkey, ass, easel
Fransâne
DuitsEsel
Spaansasno, burro
Italiaansasino
Portugeesasno, burro, jumento
Russischосёл
Chinees驢
Arabischحمار
Turkseşek, merkep
Poolsosioł
Zweedsåsna, staffli
Deensæsel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek