farmer

mannelijk (de)/ˈfɑrmər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, landbouw (beroep) (landbouw) eigenaar of pachter van een grootschalig landbouwbedrijf, meestal gebruikt voor boeren in het buitenland
    Op Borneo zijn bijvoorbeeld honderdduizend orang-oetans verdwenen. Die worden doodgeschoten door farmers.
    Verbijsterd constateert onze farmer dat hij helemaal niets van die moderne bedrijfsvoering heeft te leren.

Etymologie

*Ongewijzigd overgenomen uit het Engels, jaartal van eerste optekening onbekend