feesten

/ˈfestə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een feestje vieren
    Van alle jaren die heb vergooid, de eenzaamheid die ik probeerde weg te drinken, weg te feesten met mensen die niks om mij gaven.
    Er ontstond zelfs een klein clubje dat nog maar heel weinig liep en van het ene naar het andere dorp liftte om daar dan dagenlang te hangen en te feesten, om vervolgens alleen de mooie stukken te lopen.